Onderzoeken

U bevindt zich hier: Gynaecologie Zwangerschap Controles De onderzoeken

Beschrijving van de verschillende onderzoeken tijdens de controle bezoeken

Controle van de bloeddruk

De bloeddruk (de spanning in de bloedvaten) heeft als uitslag een bovenwaarde (systolische druk) en een benedenwaarde (diastolische druk) en de waarden worden uitgedrukt in millimeters (kwikdruk). Tijdens de zwangerschap is de bloeddruk wat lager dan normaal doordat de bloedvaten wat uitzetten door de zwangerschapshormonen. Er wordt het meest gekeken naar de diastolische druk, die zo tussen de 65 en 80 mm ligt. Op de helft van de zwangerschap daalt de bloeddruk iets en gaat tegen het eind weer wat stijgen. Wanneer de druk teveel stijgt of meer dan 95 mm Hg wordt, dan is er sprake van een verhoogde bloeddruk of zwangerschapshypertensie.

Controle van het gewicht

De gewichtstoename tijdens de zwangerschap is gemiddeld 12 kg. Deze toename wordt natuurlijk veroorzaakt door de groei van het kind in de baarmoeder, maar nog meer door het vasthouden van vocht. Die hoeveelheid vocht verschilt individueel sterk en betekent over het algemeen weinig. Daarom is het belang van een routinematige gewichtscontrole klein.

Controle van de urine

In de urine zit in normale omstandigheden geen eiwit of suiker. Is dat wel het geval, dan kan dat van betekenis zijn. Bij een te hoge bloeddruk kan er eiwit in de urine zitten en dat is een verdacht teken. Bij een blaasontsteking kan er ook eiwit in de urine zitten. Als er suiker in de urine zit wordt gedacht aan suikerziekte.

Hemoglobine gehalte

Hemoglobine bevat ijzer en zit in de rode bloedcellen en bindt in de longen zuurstof dat naar de weefsels gaat. Het hemoglobine gehalte is dus een maat voor de hoeveelheid ijzer. Doordat het bloed in de zwangerschap verdund is, is het Hb-gehalte lager dan normaal. Is het HB-gehalte te laag dan wordt er minder zuurstof vervoerd. Om dat gehalte te verbeteren worden (zogenoemde) staaltabletten voorgeschreven.

Bloedgroep en rhesus factor

Ieder mens heeft een bloedgroep (O, A, B en AB), waarvan O en A het meeste voorkomen. Bij het geven van een bloedtransfusie moet bloed dezelfde bloedgroep gegeven worden.

De rhesus factor komt bij 85% van de mensen in het bloed voor en zijn rhesus positief (RhD-pos). Is de rhesusfactor afwezig dan is men rhesus negatief (RhD-neg). Het is belangrijk de rhesus factor te weten, vooral in de zwangerschap, want als de moeder rhesus negatief is, kan het kind toch rhesus positief zijn. Er komt tijdens de zwangerschap altijd wat bloed (rode bloedcellen) van het kind terecht in de bloedbaan van de moeder en zij maakt antistoffen tegen het rhesus positieve bloed. Die antistoffen komen weer in de bloedbaan van het kind en het kind kan daarvan ziek worden. Tijdens de zwangerschap wordt dat gecontroleerd en daarom krijgt u in de 30e week een injectie met een anti-Rh-D-immunoglobuline om de antistoffen weg te vangen. De kans dat een kind ziek wordt, komt daarna zelden voor.

Andere antistoffen tegen rode bloedcellen

Naast de bekende bloedgroepen zijn er ook nog zeldzame bloedgroepen. In een klein percentage bv. na een bloedtransfusie kunnen er antistoffen gevormd worden die ook door de placenta heen gaan en in de bloedbaan van het kind terecht kunnen komen. Het kind kan dan op dezelfde manier ziek worden als bij de rhesus. Om dat probleem te voorkomen worden deze zogenaamde 'irregulaire antistoffen' tijdens de zwangerschap bepaald en wordt actie ondernomen als dat nodig is.

Glucose gehalte

Het glucose (suiker) gehalte in het bloed wordt gereguleerd door het hormoon insuline uit de alvleesklier. Tijdens de zwangerschap is er meer insuline nodig en wanneer de alvleesklier daaraan niet kan voldoen zit er teveel glucose in het bloed, dat schadelijk is voor het kind. Een te hoog glucose gehalte komt bij 2% van alle zwangerschappen voor en kan wijzen op zwangerschapssuikerziekte. De behandeling bestaat uit een dieet en zo nodig insuline.

Hepatitus B

Hepatitus-B is een virus infectie die de lever beschadigt. De tijd tussen infectie (via het bloed) en ziek worden duurt gemiddeld 3 maanden. De ziekte kan gepaard gaan met geel worden en extreem moe zijn, maar kan soms ook ongemerkt verlopen. De meeste mensen zijn na enkele maanden weer beter, maar sommigen houden het virus in hun bloed en zijn dan 'virus dragers'. Zij kunnen anderen weer besmetten en wanneer de vrouw zwanger is, kan zij haar baby besmetten tijdens de bevalling. Daarom krijgen die baby's na de bevalling antistoffen tegen het hepatitus-B virus toegediend (hepatitus-B immunoglobuline) en worden enkele maanden later nog eens gevaccineerd om niet ziek te worden.

Lues (syfilis)

Lues is een geslachtsziekte en kan wanneer deze actief is vanaf de 4e maand van de zwangerschap het kind besmetten en afwijkingen bij het kind veroorzaken. Het is daarom belangrijk vr die tijd een eventuele infectie vast te stellen en dan de moeder behandelen.

Hiv (aids)

Hiv is ook een virus infectie die door bloed contact kan worden overgebracht. Als de moeder hiv-positief is, kan het kind besmet worden tijdens de zwangerschap maar vooral bij de bevalling. Om deze besmetting te voorkomen moeten speciale maatregelen worden genomen. Hiv positieve zwangeren worden naar gespecialiseerde hiv-centra verwezen.

Rode hond

Rode hond is vooral een kinderziekte, maar kan ook bij volwassenen voorkomen. Treft deze virus infectie een zwangere in de eerste drie maanden van de zwangerschap dan krijgt het kind afwijkingen. Omdat sinds 1973 alle meisjes op hun 11e jaar worden gevaccineerd zitten er antistoffen tegen rode hond in hun bloed. Zijn de antistoffen afwezig dan worden die vrouwen na de zwangerschap alsnog gevaccineerd.

Toxoplasmose

Een toxoplasmose infectie wordt veroorzaakt door een parasiet, komt veel voor en verloopt meestal onschuldig als een griepje. Meer dan de helft van de mensen hebben zo'n infectie, overgebracht door katten, in hun jeugd gehad en zijn daarna immuun. Wanneer een zwangere vrouw niet immuun is, vast te stellen door bloedonderzoek en de infectie in de zwangerschap oploopt, kan dat bij het kind afwijkingen veroorzaken. Een infectie is niet te bestrijden, alleen te voorkomen.

Echoscopie

Tijdens het eerste bezoek wordt meestal een echoscopisch onderzoek verricht. Daarmee is het mogelijk om vier weken na de bevruchting ( 6 weken na de laatste menstruatie) te zien of er hartactie is, wijzend op een levend vruchtje. Het is dan meestal ook mogelijk om te zien of er meer dan n vruchtje is. Zo vroeg in de zwangerschap is verder goed vast te stellen hoever de zwangerschap al is en wanneer de uitgerekende datum is.

In de loop van de zwangerschap wordt regelmatig een echoscopisch onderzoek verricht, bijvoorbeeld om te zien waar de nageboorte zit, de groei van het kind te kunnen volgen, de ligging van het kind te beoordelen enz. Rond de 12e en de 20e zwangerschapsweek wordt vaak speciaal echoscopisch onderzoek (seo) verricht (zie prenatale diagnostiek). -->


(Advertentie)



U bevindt zich hier: Gynaecologie Zwangerschap Controles De onderzoeken
(advertenties)

Print deze pagina uit Print deze pagina
Voeg Gynaecologie.nl toe aan je favorieten! Favorieten
(advertenties)